Box 3 belast je vermogen op één dag: de stand op 1 januari. Wat je die ochtend bezit, bepaalt je heffing voor het hele jaar. Daaruit volgt een verleidelijke gedachte: zet je beleggingen vlak vóór de jaarwisseling op een spaarrekening, dan val je in het lage spaarforfait in plaats van het hoge beleggingsforfait, en koop je begin januari gewoon weer terug. Op papier scheelt dat honderden tot duizenden euro's. In de praktijk kijkt de fiscus drie maanden terug en draait precies dat trucje weer terug.
De vraag die telt is dus niet of het mag, maar wat er na de correctie overblijft. En dat is een rekensom, geen folder. De banken die bovenaan staan als je hierop zoekt, leggen de regeling keurig uit en stoppen net voordat ze het netto-bedrag laten zien. Hieronder staat dat bedrag wel.
Waarom de peildatum zoveel verschil maakt
Box 3 kent in 2026 drie categorieën, elk met een eigen verondersteld rendement. Spaargeld telt voorlopig tegen 1,28%, overige bezittingen (beleggingen, een tweede woning, obligaties) tegen 6%, en schulden mag je aftrekken tegen voorlopig 2,70%. Over het zo berekende fictieve inkomen betaal je 36%. De percentages voor spaargeld en schulden worden pas na afloop van het jaar definitief vastgesteld, dus dit zijn de voorlopige cijfers waarmee de aangifte 2026 rekent. Waar je vermogen precies onder valt, staat in het overzicht van box 1, 2 en 3.
Het verschil tussen 1,28% en 6% is groot genoeg om de verleiding te begrijpen. Reken het ruw voor over € 100.000 belast vermogen: het fictieve inkomen is dan € 1.280 als spaargeld tegenover € 6.000 als belegging. Maal 36% is dat € 461 om € 2.160 aan belasting. Een gat van bijna zeventienhonderd euro, puur door op welke regel je geld op 1 januari staat.
De regeling die de banken erbij vergeten te rekenen
Omdat het verschil zo groot is, bestaat er een antimisbruikregeling tegen peildatumarbitrage. De kern: verkoop je beleggingen kort vóór 1 januari en koop je ze binnen drie maanden ná de peildatum weer terug, dan rekent de fiscus alsof je ze nooit had verkocht. Voor het teruggekochte deel wordt het beleggingsforfait alsnog toegepast. Hetzelfde geldt spiegelbeeldig voor schulden: ga je vlak vóór de jaarwisseling een schuld aan en los je die binnen drie maanden weer af, dan vervalt de renteaftrek voor dat deel.
De grens is hard: drie maanden, tot ongeveer 15 maart. Koop je pas daarna terug, dan vindt de correctie niet plaats. Maar dan heb je je geld ook ruim tien weken in een markt-luwte gehouden, met het koersrisico dat daarbij hoort. Dat is geen fiscale vraag meer, dat is een beleggingsvraag.
Een vermogen van twee ton rekent het door
Neem iemand met € 200.000 aan beleggingen en verder geen box 3-vermogen, geen fiscaal partner. Op 15 december verkoopt hij alles en zet het op spaar. Op 1 januari staat er dus € 200.000 spaargeld. Op 8 januari koopt hij voor € 150.000 weer beleggingen en laat € 50.000 op de spaarrekening staan. Drie scenario's, naast elkaar.
Het sprookje suggereert een besparing van bijna € 2.400. De werkelijkheid na de driemaandscorrectie is een besparing van ongeveer € 600, en die zit volledig in het deel dat hij níet terugkocht. Met andere woorden: je bespaart alleen over het vermogen dat je structureel op spaar laat staan. Voor alles wat binnen drie maanden terugkomt, rekent de fiscus het beleggingsforfait gewoon door. De verschuiving is de verleiding, het deel dat blijft staan is de waarheid.
Wanneer het tóch iets oplevert
De regeling raakt alleen het terugkochte deel. Wie zijn vermogensmix structureel verandert, valt er niet onder. Heb je beleggingen die je sowieso wilde verkopen, en zet je dat geld blijvend op spaar of in een eigenwoning-aflossing, dan is dat geen arbitrage maar gewoon een andere samenstelling. Dat telt mee tegen het lagere forfait, en daar zit de enige echte ruimte. Het verschil zit hem in de intentie: tijdelijk schuiven om de peildatum te ontlopen wordt teruggedraaid, een blijvende keuze niet.
Er is een tweede route die los staat van dit alles: de tegenbewijsregeling. Als je werkelijke rendement over 2026 lager is dan het forfaitaire, mag je het werkelijke bedrag aangeven en betaal je daarover. Voor wie een slecht beursjaar heeft of vooral spaargeld aanhoudt, levert dat vaak meer op dan welk getimede schuifje rond de jaarwisseling ook. De forfaits zijn een aanname; je werkelijke cijfers zijn een feit, en je mag het feit kiezen als dat gunstiger is.
Wat de uitlegpagina's weglaten
De Belastingdienst publiceert de regeling, met een invulveld in de aangifte voor verschoven vermogen, en kondigt steekproeven aan op wie dat veld leeg laat. Wat de Belastingdienst niet doet, is voorrekenen wat de correctie in jouw geval betekent. De banken doen dat half: ze tonen het sprookjesbedrag, leggen de driemaandsregeling uit, en laten het netto-resultaat na correctie buiten beeld. Niet uit slordigheid. Hun belang is dat je belegt blijft, niet dat je precies weet wat een dag timen je oplevert.
Tussen de tabel van de fiscus en de folder van de bank zit de vraag die telt: wat blijft er na de correctie van mijn besparing over, en weegt dat op tegen het koersrisico van tien weken aan de zijlijn. Dat reken je het beste uit vóór de jaarwisseling, niet als de aangifte al openstaat.
Voor je eigen vermogen, je eigen mix van spaargeld en beleggingen, en wat één dag verkeerd of goed timen je in box 3 kost: zie de peildatum-tool.
Bronnen: Belastingdienst en Belastingplan 2026, box 3-forfaits 2026 (overige bezittingen 6%, spaargeld voorlopig 1,28%, schulden voorlopig 2,70%), tarief 36%, heffingsvrij vermogen € 59.357 per persoon (€ 118.714 met fiscaal partner). Antimisbruikregeling peildatumarbitrage: periode van drie maanden rond 1 januari. De definitieve forfaits voor spaargeld en schulden worden na afloop van 2026 vastgesteld. Bedragen afgerond. Deze tekst is uitleg, geen advies.
Reken door wat één dag timen jou kost op de peildatum-tool. Eerlijk, gratis, met de forfaits van 2026.